Lija Hirsch

CD Wajse Sjtern


Op de CD Wajse Sjtern zingt Lija Hirsch jiddisje liederen, op de accordeon begeleid door Eddy van Damme.
De CD bevat de volgende liederen:

  1. Der rebe hot gehejsn frejlech zajn!

  2. Mojsjele, majn frajnd

  3. Sjlof sjojn majn kind

  4. Bistoe mit mir brojges?

  5. Oenter dajne wajse sjtern

  6. Ejder ich leg mich sjlofn

  7. A redele

  8. Boelbe

  9. Zog mir, lewone


    Druk hierboven op de > knop om een fragment te horen.

  10. Papir iz doch wajs

  11. Az der rebe Elimelech

  12. Sjabeslicht

  13. Rivkele di sjabesdike

  14. Arbetlozer-marsj


    Druk hierboven op de > knop om een fragment te horen.

  15. Awreml der marwicher


    Druk hierboven op de > knop om een fragment te horen.

  16. Koem Lejbke tantsn!

  17. Dortn ojf dem bergele

  18. Iz gekoemen der feter Nosn

  19. Der opsjit

  20. Mazl tow

  21. Wiglid

  22. Dona, dona


    Druk hierboven op de > knop om een fragment te horen.


Zie hieronder voor de volledige teksten met vertaling.

De CD is bij iedere goede platenzaak te bestellen en bij de uitgever Syncoop, voor 15 euro inclusief bezorgkosten.


Presentatie door Ralph Prins



Onderstaand volgt de toespraak van Ralph Prins bij de uitreiking van de CD 'Wajse sjtern' (Witte sterren) van Lija Hirsch.
Ralph Prins is Joods beeldend kunstenaar. Hij is onder meer bekend van het monument kamp Westerbork (de gebogen spoorrails).


Er is een joodse kunstenaar die recent in mijn leven een hele grote rol heeft gekregen. Zijn naam is Jitschak Katznelson. Hij heeft op een heel intense, bijzondere manier het beleg van Warschau, je zou kunnen zeggen wat er allemaal gebeurd is aan treurigs, beschreven in een weergaloos gedicht. Ik persoonlijk zou het met de Ilias willen vergelijken. Het begint zo in de Duitse vertaling:
"Du, sing, greif die zerhackte, deine nackte Harfe, singe doch, schmeiss in Gewirr der Saite deine Finger für ein Lied. Sing, schmerzgebrochene Herzen, sing diesem Europa noch den grossen Abgesang von seinem allerletzten Jid."

Deze vertaling is van Wolf Biermann. De laatste zin luidt in het jiddisj:
"dos lid, dos letste zing, zing von den letsten jiden ojf Europas erd."

Dan zien jullie net als ik dat wonderbaarlijke verschil tussen de taal waarin het geschreven is, jiddisj en de vertaling; hoe zelfs met een buitengewoon knappe vertaler daar dingen anders zijn.

Ik heb eens gehoord dat Sjolem Aleichem, de schrijver, heel veel talen vloeiend kon spreken. Een Duitse journalist heeft hem daar eens over aangesproken en gevraagd of het klopte dat hij zo veel talen zo vloeiend kon spreken. Daarop antwoordde hij bevestigend. Toen vroeg die journalist wat zijn lievelingstaal was en vooral waarom. Het antwoord was:
"Das ist Jiddisch, weil man versteht jedes Wort."

Dat is een heel bijzonder antwoord. Het is zo dat ik geen jiddisj ken maar dat ik via het jiddisj toch dingen weer voel die ik niet in een vertaling heb gevoeld. Wat ik heb gedaan, lieve Lija, is van de mensen die mij dierbaar zijn uitspraken opgezocht.

Ik wil je zeggen wat ik gelezen heb van Menachem Mendel van Kotzk. Die heeft gezegd:
"Chassied ben ik geworden omdat er in mijn vaderland een oude man was die verhalen van tsaddiekiem vertelde. Hij vertelde wat hij wist en ik hoorde wat ik nodig had."
Ik denk dat mensen zoals jij, die liederen brengen uit dit jiddisje cultuurgoed, dat dit bij mensen binnendringt en dat is zeer vergelijkbaar met wat ik net las, dat je iets aanreikt en dat wij horen wat wij nodig hebben en dat is belangrijk.

Toen rabbi Boenam een man de eervolle opdracht gaf de sjofar te blazen, ving die aan wijdlopige voorbereidingen te treffen om zijn ziel op de juiste wijze in te stellen op de intentie der tonen.
"Dwaas", riep de tsaddiek, "Blaas!"

Ik heb dat gekozen, Lija, omdat ik denk dat je lessen kan hebben wat je maar wil (dat slaat niet op jou alleen maar op alle mensen die doen wat jij ook doet), er moet een grens zijn. Dan moet je alles wat je leert, waar je zo buitengewoon veel moeite voor moet doen om zo onzichtbaar te beheersen, van je af kunnen gooien, opeens, en zingen.

De jehoede placht te zeggen:
"Ik zou graag mijn part in deze en de komende wereld willen geven voor een greintje echt jodendom."
Als je dat greintje echt jodendom vergelijkt met hoe vinden we hier goud in de aarde dan is het zo dat in alle teksten (ik wil eigenlijk zeggen: zonder uitzondering) waar de jiddisje liederen uit opgebouwd zijn, over de treurigheid en ook de blijdschap en alles wat daartussen in is, de greintjes van het echte jodendom voor het oprapen liggen.
Dat maakt het voor ons als we daarnaar luisteren gemakkelijker om te pakken en ons mee te verrijken.

De ene tsaddiek vroeg de andere:
"Wat is de weg van rabbi Lebewitsj?"
Het antwoord was:
"Zijn weg is dat het woord zoals het gesproken wordt uit je tenen opkomt. Daar wordt waar wat er geschreven staat: mijn ganse gebeente zal spreken."
Dat staat in psalm 35.
Ik denk dat het ook geldt als je de dingen zingt zoals jij ze zingt: dat als het niet uit je tenen komt, wel, dan moet je ernaar streven en hopen, dat dat gebeurt.

Er staat in de psalm 147 geschreven:
"Want het is goed onze God te zingen".
Rabbi Elimelech legde dat zo uit:
"Goed is het als de mens tot stand brengt dat God in hem zingt."

Rabbi Pinchas placht muziek en zang hoog te prijzen. Eens zei hij:
"Heer der wereld, als ik zingen kon zou ik U daar niet in de hoge laten blijven, maar ik zou met mijn zingen bij U aanhouden tot Gij U hier bij ons neder liet."

En als laatste, rabbi Pinchas zei:
"Als een mens zingt en zijn stem niet verheffen kan en er komt een ander met hem meezingen die zijn stem wel verheft dan kan ook hij zijn stem verheffen. Dat is het geheim hoe geest zich aan geest hecht."

Ik denk als mensen behoefte hebben om over de wonden van de holocaust te komen, als ze blij zijn met alles wat warmte is en blijdschap, dan herkennen ze heel veel in deze jiddisje liederen die jij brengt.


Teksten van de liederen op de CD


Hieronder volgen de teksten van alle liederen op de CD, achtereenvolgens:


  1. Der rebe hot gehejsn frejlech zajn!

    Wojl iz dem rebn
    oen di ch'sidim,
    oen di ch'sidim ojch dertsoe.
    Der rebe hot gehejsn
    frejlech zajn,
    trinkn bronfn
    nisjt kejn wajn.

    Sjtoep zje, sjtoep zje,
    sjtoep dem losjek;
    sjtoep im,
    sjtoep im gicher,
    der rebe alejn sjtoept
    ojch dem losjek,
    sjtoep im, sjtoep im gicher.


    De rebbe heeft ons gezegd vrolijk te zijn

    De rebbe voelt zich fijn
    en de chassidiem,
    en de chassidiem ook.
    De rebbe heeft ons gezegd
    vrolijk te zijn,
    brandewijn te drinken
    in plaats van wijn.

    Spoor dan, spoor dan,
    spoor het paard aan;
    spoor hem aan,
    spoor hem harder aan,
    zelfs de rebbe spoort
    het paard aan.
    Spoor hem aan, nog harder.


    The rabbi told us to be merry

    The rabbi feels good
    and the chassidim,
    and the chassidim, too.
    The rabbi told us
    to be merry,
    to drink brandy
    instead of wine.

    Spur him, spur him,
    spur the horse;
    Spur him,
    spur him harder,
    even the rabbi spurs
    the horse.
    Spur him even harder.


  2. Mojsjele, majn frajnd

    Wos machstoe epes, Mojsjele?
    Ch'derken dich noch on blik.
    Du bist gewen majn chawerl
    mit jorn fil tsoerik,
    oen ojch in chejder hobn mir
    gelernt lang banand,
    ot sjtejt far mir
    der rebe noch,
    den kantsjik in zajn hant.

    Oj, wi nemt men
    tsoerik di jorn,
    jene sjejne tsajt.
    Oj, dos joenge sjejne lebn
    iz foen oendz sjojn wajt.
    Oj, wi nemt men
    tsoerik di jorn,
    Mojsjele, majn frajnd,
    Oj, noch jenem bejzn rebn
    benkt dos harts noch hajnt.

    Wos macht
    dajn sjwester Rochele?
    Wi ch'wolt zi itst gezen,
    zi iz amol,
    gedenkstoe noch,
    mir noent tsoem harts gewen.
    Nor zi gelibt hot Berelen,
    gehast mich on sjoem groend,
    geblibn iz in hartsn lang
    a nisjt-farhejlte woend.

    Oj, wi nemt men tsoerik di jorn
    ...
    Oj, noch jener sjejner Rochele
    benkt dos harts noch hajnt.

    Wi gejt es epes Berelen,
    Awremele wos macht?
    Oen Zalmele oen Josele?
    Zejer oft foen ajch getracht,
    gecholemt foen ajch,
    kinderlech,
    gezen zich in der mit,
    geworn alte jidelech ...
    Wi sjnel dos lebn flit.

    Oj, wi nemt men tsoerik di jorn
    ...
    Oj, noch jene joenge lejdn
    benkt dos harts noch hajnt.


    Moosje, mijn vriend

    Hoe is het met je, Moosje?
    Ik herken je nog meteen.
    Je bent mijn vriend geweest
    vele jaren geleden.
    Op school hebben
    we ook lang samen les gehad.
    Ik zie de leraar
    nog voor me staan,
    de stok in zijn hand.

    O, hoe haal je
    de jaren terug,
    die mooie tijd.
    O, die mooie tijd van de jeugd
    is al zo lang geleden.
    O, hoe haal je
    de jaren terug,
    Moosje, mijn vriend.
    O, naar die boze leraar
    gaat mijn hart nog steeds uit.

    Hoe gaat het met
    je zus Rachel?
    Wat zou ik haar nu graag
    weer zien,
    weet je nog hoe
    ik vroeger verliefd op haar was.
    Zij hield echter van Berel,
    mij haatte ze zonder reden,
    in mijn hart is langdurig
    een ongenezen wond gebleven.

    O, hoe haal je de jaren terug
    ...
    O, naar die mooie Rachel
    gaat mijn hart nog steeds uit.

    Hoe gaat het met Berele,
    wat doet kleine Abraham?
    En Zalmele en kleine Jozef?
    Ik heb zo vaak
    aan jullie gedacht,
    van jullie gedroomd als kinderen,
    met mijzelf erbij,
    wij zijn oude joden geworden ...
    Hoe snel gaat het leven voorbij.

    O, hoe haal je de jaren terug
    ...
    O, naar dat jonge leed
    gaat mijn hart nog steeds uit.

    Tekst en muziek:
    Mordechai Gebirtig (1877-1942)


    Moshe, my friend

    How are you, Moshe?
    I recognize you at once.
    You have been my friend
    many years ago.
    At school we also had
    for a long time classes together.
    I still see the teacher
    standing before me,
    the cane in his hand.

    O, how do you
    get back the years,
    of that beautiful time.
    O, that beautiful time of youth
    is now so long ago.
    O, how do you
    get back the years,
    Moshe, my friend.
    O, for that angry teacher
    my heart still longs.

    How is your sister Rachel?
    How I would love
    to see her again,
    do you remember
    how I once was in love with her.
    She loved only Berel,
    me, she hated without reason,
    in my heart there lasted
    an incurable wound.

    O, how do you get back
    the years ...
    O, that lovely Rachel
    my heart still longs for.

    How is Berele?
    What is Abram doing?
    And Zalmele and little Joseph?
    I have so often
    thought of you,
    dreamed of you as children,
    with me also there,
    we have become old jews ...
    How quickly life passes.

    O, how do you get back
    the years ...
    O, for that young suffering
    my heart still longs.


  3. Sjlof sjojn majn kind

    Sjlof sjojn majn kind,
    majn jingele klejns,
    di ejgelech dajne mach tsoe.
    Di mame wet kojfn
    a ferdl a sjejns.
    Noe sjlof-zje mir,
    aj-ljoe-ljoe-ljoe.

    A ferdl a sjejns,
    's wet kostn fil gelt
    a wegele ojch,
    ojf majn wort.
    Doe west kenen forn
    aroem in der welt,
    ojfzoechn dajn tatesji dort.

    Dajn tate, majn kind,
    iz lang sjojn awek,
    a briwl gesjribn
    nisjt mer.
    Gefinstoe im dortn,
    dan freg im, oj freg
    tsi libt er
    dajn mame nisjt mer.

    Tsi hot er fargesn,
    oj freg im, majn kind,
    zajn wajbl oen dich, zoenenjoe,
    tsi efsjer an andere,
    wej mir oen wind.
    Noe sjlof-zje mir,
    aj-ljoe-ljoe-ljoe.

    Sjlof sjojn majn kind,
    doe bist azoj mid,
    sjlis dajne ejgelech tsoe.
    Ich wel dir kojfn a sjifl,
    wos flit.
    Noe sjlof-zje mir,
    aj-ljoe-ljoe-ljoe.


    Slaap toch mijn kind

    Slaap toch mijn kind,
    mijn kleine jongen,
    doe je oogjes maar dicht.
    Je moeder zal
    een mooi paardje kopen.
    Slaap nu maar,
    aj-ljoe-ljoe-ljoe.

    Een mooi paardje,
    het zal veel geld kosten,
    een wagentje ook,
    mijn woord erop.
    Je zal over de wereld
    kunnen reizen,
    om je papa te zoeken.

    Je vader, mijn kind,
    is al zo lang weg,
    hij heeft geen brief
    meer geschreven.
    Vind je hem daar,
    vraag hem dan, och vraag
    of hij niet meer
    van je moeder houdt.

    Vraag hem, mijn kind,
    of hij zijn vrouw en jou,
    mijn jongen, vergeten heeft,
    of is er een ander,
    God verhoede.
    Slaap nu maar,
    aj-ljoe-ljoe-ljoe.

    Slaap toch mijn kind,
    je bent zo moe,
    doe je oogjes maar dicht.
    Ik zal een bootje voor je kopen,
    dat kan varen.
    Slaap nu maar,
    aj-ljoe-ljoe-ljoe.

    Tekst en muziek:
    Mordechai Gebirtig (1877-1942)


    Sleep now my child

    Sleep now my child,
    my little boy,
    close your little eyes.
    Your mother will
    buy you a beautiful horse.
    Sleep now,
    ay-liu-liu-liu.

    A beautiful horse,
    it will cost a lot of money,
    a little carriage, too,
    my word on it.
    You will be able to travel
    through the world,
    to look for your daddy.

    Your father, my child,
    is gone a long time,
    he has written
    no letter.
    When you find him,
    then ask him, please ask,
    if he loves
    your mother no more.

    Did he forget,
    o ask him, my child,
    his wife and you, my son.
    Or is there another,
    God forbid.
    Sleep now,
    ay-liu-liu-liu.

    Sleep now my child,
    you are so tired,
    close your little eyes.
    I will buy a boat for you,
    that can sail.
    Sleep now,
    ay-liu-liu-liu.


  4. Bistoe mit mir brojges?

    Bistoe mit mir brojges?
    Wejs ich nisjt farwos.
    Gejst a gantsn tog aroem
    aropgelozt di noz.
    Ta ra da ra ...

    Efsjer wilstoe wisn
    az ich hob dich lib?
    Lomir bejde ariberforn
    tsoe dem goetn jid.
    Ta ra da ra ...

    Tsoe a goetn jidn
    a pidjen im opgebn.
    Zol er far oendz Got betn
    ojf a goet lebn
    Ta ra da ra ...

    Oen az mir weln koemen
    tsoerik foen goetn jid,
    weln mir bejde ariberforn
    in Zelwa ojfn jarid.
    Ta ra da ra ...

    Dort wel ich dir kojfn
    a zejger mit a kejt,
    oen a sjejne, grojse sjtik
    zajdns ojf a klejd.
    Ta ra da ra ...

    To zaj zje mer nisjt brojges
    oen grejt ojf gich tsoem tisj;
    oen zets zich mit mir esn,
    bakoemstoe foen mir a kisj.
    Ta ra da ra ...


    Ben je boos op mij?

    Ben je boos op mij?
    Weet ik niet waarom.
    Je loopt de hele dag maar rond
    met je hoofd naar de grond.
    Ta ra da ra ...

    Wil je misschien weten
    of ik van je houd?
    Laten we dan samen
    naar de wonderrebbe gaan.
    Ta ra da ra ...

    Naar de wonderrebbe
    om hem een geschenk te geven.
    Hij zal voor ons tot God bidden
    voor een goed leven.
    Ta ra da ra ...

    En na terugkeer
    van de wonderrebbe
    rijden wij samen
    naar de jaarmarkt in Selva.
    Ta ra da ra ...

    Daar zal ik een horloge
    met een ketting voor je kopen
    en een mooie, grote zijden lap
    voor een jurk.
    Ta ra da ra ...

    Toe wees nu niet boos meer
    en dek snel de tafel;
    laten we samen eten,
    dan krijg je van mij een kus.
    Ta ra da ra ...


    Are you angry with me?

    Are you angry with me?
    I don't know why.
    You walk around all day with
    your head bowed to the ground.
    Ta ra da ra ...

    Would you like to know
    that I love you?
    Let us then go together
    to the miraculous rabbi.
    Ta ra da ra ...

    To the miraculous rabbi
    to give him a gift.
    He will pray for us to God
    for a good life.
    Ta ra da ra ...

    On our return
    from the miraculous rabbi
    we will travel together
    to the fair in Selva.
    Ta ra da ra ...

    There I will buy you
    a watch with a chain
    and a beautiful large piece of silk
    for a dress.
    Ta ra da ra ...

    So don't be angry anymore
    and set the table quick;
    let us sit together and eat
    and I will give you a kiss.
    Ta ra da ra ...


  5. Oenter dajne wajse sjtern

    Oenter dajne wajse sjtern,
    sjtrek tsoe mir
    dajn wajse hant.
    Majne werter zenen trern
    wiln roen in dajn hant.
    Ze, es toenkelt zejer finkl
    in majn kelerdikn blik.
    Oen ich hob gornisjt kejn winkl
    zej tsoe sjenken dir tsoerik.

    Oen ich wil doch, Got getrajer,
    dir fartrojen majn farmeg.
    Wajl es mont in mir a fajer
    oen in fajer - majne teg.
    Nor in kelern oen lecher
    wejnt di merderisje roe.
    Lojf ich hecher, iber decher
    oen ich zoech:
    woe bistoe, woe?

    Nemen jogn mich mesjoene
    trep oen hojfn
    mit gewoj,
    heng ich - a geplatste stroene
    oen ich zing tsoe dir azoj:
    Oenter dajne wajse sjtern
    sjtrek tsoe mir
    dajn wajse hant.
    Majne werter zenen trern
    wiln roen in dajn hant.


    Onder Uw witte sterren

    Onder Uw witte sterren,
    strek Uw witte hand
    naar mij uit.
    Mijn woorden zijn tranen
    die in Uw hand willen rusten.
    Zie, hun glans verduistert
    in mijn donkere blik.
    En ik heb geen mogelijkheid
    hen aan U terug te schenken.

    En ik wil toch, trouwe God,
    U alles toevertrouwen.
    Want in mij woedt een vuur
    en in het vuur: mijn dagen.
    Alleen in kelders en holen
    huilt de moordende stilte.
    Ik ga hoger, over de daken,
    en ik zoek U:
    waar bent U, waar?

    Ik word opgejaagd door vreemde
    trappen en binnenplaatsen
    met geweeklaag,
    ik hang - een gesprongen snaar
    en ik zing tot U:
    Onder Uw witte sterren,
    strek Uw witte hand
    naar mij uit.
    Mijn woorden zijn tranen
    die in Uw hand willen rusten.

    Tekst:
    Abraham Sutskever (1913-)
    Muziek: Abraham Brudno


    Beneath Your white stars

    Beneath Your white stars
    stretch Your white hand
    out to me.
    My words are tears
    that want to rest in Your hand.
    Look, their glow dims,
    in my dark eyes.
    And I have no chance
    to give them back to You.

    And yet I want, dear God,
    to place all my trust in You.
    Because in me rages a fire
    and in the fire - my days.
    Only in cellars and holes
    cries the murdering silence.
    I go higher, over the rooftops,
    and I look for You:
    where are You, where?

    I am haunted by queer
    stairs and courtyards
    with lamentations,
    I hang - a broken string
    and I sing to you:
    Below Your white stars
    stretch Your white hand
    out to me.
    My words are tears
    that want to rest in Your hand.


  6. Ejder ich leg mich sjlofn

    Ejder ich lejg mich sjlofn,
    darf ich sjojn ojfsjtejn,
    mit majne kranke bejner
    tsoe der arbet gejn.

    Tsoe Got wel ich wejnen
    mit a grojs gewejn.
    Wos ich bin gebojrn
    a nejtorin tsoe zajn.

    Ch'koem sjpet tsoe der arbet,
    s'iz doch wajt der weg,
    sjlogt men mir op
    far halbe teg.

    Ich lajd sjtendig hoenger,
    ich hob nisjt wos tsoe esn,
    wil ich gelt betn
    hejst men mir fargesn.


    Lig ik net te slapen

    Lig ik net te slapen,
    moet ik alweer opstaan,
    met mijn zieke benen
    naar het werk toe gaan.

    Ik wil huilen tot God,
    met een groot geween.
    Waarom ben ik geboren
    als naaister.

    Ik kom laat op het werk,
    de weg is toch lang,
    men houdt
    een halve dag loon in.

    Ik heb altijd honger,
    ik heb niets te eten,
    als ik om mijn geld vraag
    zegt men mij het te vergeten.


    As I just lay down to sleep

    As I just lay down to sleep,
    I have to rise again
    with my sick legs
    to go to work.

    I want to cry to God,
    with a greet wail.
    Why have I been born
    a seamstress.

    I come late to work,
    the way is really long,
    they withhold
    half a day's pay.

    I am always hungry,
    I have nothing to eat,
    when I ask for my money,
    they tell me to forget it.


  7. A redele

    A redele iz di gore welt,
    gekatsjet iz di tsajt.
    Glik oen oemglik,
    kowed oen gelt
    katsjen zich nor baj der zajt.
    Ejner lebt op azoj orem zajn welt,
    der anderer lebt azoj brejt.
    In ejn ojgnblik wert dos farkert,
    dos redele hot zich ibergedrejt.

    Sjtoltsir nisjt broeder,
    mit der goeter tsajt,
    baj der sjlechter fal nisjt arop.
    Glik foen oemglik
    iz gor nisjt wajt,
    mitn redele bajt zich dos op.
    Toe nor a koek ojf jederer zach,
    oen nem a primer foen zej.
    Westoe derkenen
    foen orem biz rajch,
    s'iz nor gewend inem drej.


    Een wiel

    De hele wereld is slechts een wiel
    gedraaid door de tijd.
    Geluk en ongeluk,
    roem en rijkdom,
    draaien zij aan zij.
    De een leidt een arm bestaan,
    de ander heeft het breed.
    In een ogenblik verandert het,
    het wiel is gedraaid.

    Schep niet op, vriend,
    in goede tijden,
    wanhoop niet in slechte tijden,
    geluk en ongeluk
    liggen dicht bij elkaar,
    het wiel bepaalt beide.
    Kijk maar naar alles om je heen
    en leer er je les uit.
    Je zult zien
    dat arm of rijk
    slechts afhangen van het wiel.


    A wheel

    The whole world is just a wheel
    turned by time.
    Fortune and misfortune,
    fame and wealth,
    turn side by side.
    One leads a poor existence
    another is rich.
    In one moment it changes,
    the wheel has turned.

    Don't brag my friend,
    in good times,
    don't despair in bad times,
    fortune and misfortune
    lie close to each other,
    the wheel determines both.
    Look at everything around you
    and learn your lesson.
    You will notice
    that poor or rich
    only depends on the wheel.


  8. Boelbe

    Zoentig boelbe,
    montig boelbe,
    dinstig oen mitwoch
    boelbe,
    donersjtig oen frajtig boelbe,
    ober sjabes
    in a nowene:
    a boelbekoegele!
    Zoentig wajter boelbe.

    Brojt mit boelbe,
    fisj mit boelbe,
    warimes oen wetsjere
    boelbe,
    ober oen wider boelbe,
    ober sjabes noch'n tsjolent:
    a boelbekoegele!
    Zoentig wajter boelbe.

    Ober: boelbe,
    wider: boelbe,
    ober oen wider: boelbe,
    wider oen ober: boelbe!
    Ober sjabes
    in a nowene:
    a boelbekoegele!
    Zoentig wajter boelbe.


    Aardappelen

    Zondag aardappelen,
    maandag aardappelen,
    dinsdag en woensdag
    aardappelen,
    donderdag en vrijdag aardappelen,
    maar op de sabbat
    iets bijzonders:
    een aardappelcake!
    Zondag weer aardappelen.

    Brood met aardappelen,
    vis met aardappelen,
    's middags en 's avonds
    aardappelen,
    altijd maar weer aardappelen,
    maar op de sabbat na de stoofpot:
    een aardappelcake!
    Zondag weer aardappelen.

    Voor: aardappelen,
    na: aardappelen,
    voor en na: aardappelen,
    na en voor: aardappelen!
    Maar op de sabbat
    iets bijzonders:
    een aardappelcake!
    Zondag weer aardappelen.


    Potatoes

    Sunday potatoes,
    monday potatoes,
    tuesday and wednesday
    potatoes,
    thursday and friday potatoes,
    but on the sabbath
    something special:
    a potato cake!
    Sunday potatoes again.

    Bread and potatoes,
    fish and potatoes,
    lunches and dinners
    potatoes,
    ever and ever potatoes,
    but on the sabbath after the stew:
    a potato cake!
    Sunday potatoes again.

    Before: potatoes,
    after: potatoes,
    before and after: potatoes,
    after and before: potatoes!
    But on the sabbath
    something special:
    a potato cake!
    Sunday potatoes again.


  9. Zog mir, lewone

    Der kalter winter
    iz sjojn ariber,
    di frilings-zoen
    mit frejd bagrist di welt,
    nor mir in hartsn
    wert teglich triber,
    zajt majn gelibter
    iz arojs in feld.

    Kenen mich den frejen
    di frilings-bloemen,
    di fejgelech
    mit zejer lib gezang,
    wen foen majn chosn
    iz nisjt gekoemen
    kejn sjoem jedijes
    sjojn chodosjim lang.

    "Nisjt zorg, gelibte,"
    hot er mit trern
    di letste nacht derklert
    in weldl mir;
    "baj der lewone
    oen baj di sjtern
    sjwer ich dir tsoe:
    majn harts gehert tsoe dir."

    Hot er zajn sjwoe,
    zajn wort gebrochn,
    tsi efsjer hot farnoemen
    im der fajnt?
    Tsi ligt er drojsn,
    di broest tsesjtochn
    oen foen jisoerim
    krechtst er dort oen wejnt.

    Zog mir, lewone,
    zogt libe sjtern,
    ir ejdes majne,
    noch foen jener nacht:
    tsi wet majn chosn
    tsoerik zich kern,
    tsi hot der tojt
    zajn trajes ojg farmacht?


    Zeg mij, maan

    De koude winter
    is al voorbij,
    de voorjaarszon
    begroet de wereld met vreugde,
    alleen in mijn hart
    wordt het dagelijks droeviger,
    sinds mijn geliefde
    naar het slagveld is.

    Hoe kunnen voorjaarsbloemen
    me vrolijk maken,
    de vogeltjes
    met hun lieflijke gezang,
    als van mijn bruidegom
    geen enkel bericht
    is gekomen
    al maandenlang.

    "Maak je niet bezorgd, liefste,"
    heeft hij mij in tranen
    de laatste nacht gezegd
    in het bos;
    "bij de maan
    en bij de sterren
    zweer ik je:
    mijn hart behoort aan jou."

    Heeft hij zijn eed,
    zijn woord gebroken,
    of heeft de vijand hem
    soms gedood?
    Ligt hij buiten,
    de borst doorstoken
    en van pijn
    kreunt hij daar en huilt.

    Zeg mij, maan,
    zeg mij, lieve sterren,
    mijn getuigen
    van die nacht:
    zal mijn bruidegom
    terugkeren
    of heeft de dood
    zijn trouwe ogen gesloten?


    Tekst en muziek:
    Mordechai Gebirtig (1877-1942)


    Tell me, moon

    The cold winter
    has already past,
    the spring sun
    greets the world with joy,
    only in my heart
    it becomes sadder daily,
    since my beloved
    is on to the battlefield.

    How can spring flowers
    make me happy,
    the birds
    with their sweet singing,
    when from my bridegroom
    not a single message
    has come
    for months.

    "Don't worry, darling,"
    he said to me in tears
    that last night
    in the woods;
    "by the moon
    and by the stars
    I swear to you:
    my heart belongs to you."

    Did he his oath,
    his word break,
    or has the enemy
    perhaps killed him?
    Is he lying outside,
    breast pierced
    and from pain
    moans he there and cries.

    Tell me, moon,
    tell me, dear stars,
    my witnesses
    of that night:
    will my groom
    come back
    or has death
    closed his faithful eyes?


  10. Papir iz doch wajs

    Papir iz doch wajs
    oen tint iz doch sjwarts,
    tsoe dir, majn zis-lebn,
    tsit doch majn harts.
    Ich wolt sjtendig gezesn,
    draj teg nochanand,
    tsoe koesjn dajn sjejn ponim
    oen tsoe haltn dajn hant.

    Oj, nechtn bin ich ojf
    a chasene gewen,
    fil sjejne jingelech
    hob ich dort gezen.
    Oj, fil sjejne jingelech,
    tsoe dir koemt nisjt gor,
    tsoe dajne sjwartse ejgelech
    tsoe dajn sjwartse hor.

    Dajn talje, dajn mine,
    dajn ejdeler fason.
    In hartsn brent a fajer,
    me zet es nisjt on.
    Nisjto aza mentsj,
    wos zol filn, wi es brent,
    der tojt oen dos lebn
    iz baj Got in di hent.

    Oj, doe liber Got,
    her ojs majn farlang.
    Dem ojsjer gistoe kowed
    mit a sjenem gang,
    oj, mir gib a sjtibele
    ojf dem gros dem grinen,
    az ich mit majn zis-lebn
    zol wojnen drinen.


    Papier is toch wit

    Papier is toch wit
    en inkt is toch zwart,
    naar jou, mijn liefste,
    verlangt mijn hart.
    Ik zou bij je willen zitten,
    drie dagen aaneen,
    om je mooie gezicht te kussen
    en je hand vast te houden.

    O, gisteren was ik
    op een bruiloft,
    ik heb er veel
    knappe jongens gezien.
    O ja, veel knappe jongens,
    maar geen zoals jij,
    met je donkere ogen
    en je zwarte haar.

    Je figuur, je manieren,
    je edele houding.
    In mijn hart brandt een vuur,
    je kan het niet zien.
    Er is niemand die kan voelen
    hoe het brandt,
    de dood en het leven,
    zijn in Gods hand.

    O, mijn lieve God,
    verhoor mijn verlangen.
    De rijke man geeft U eer
    met een goede gang van zaken,
    o, geeft U mij een huisje
    op het groene gras,
    als ik er maar met mijn liefste
    in mag wonen.


    As paper is white

    As paper is white
    and ink is black,
    for you, my love,
    my heart is longing.
    I would like to sit with you
    three days on end,
    to kiss your beautiful face
    and to hold your hand tight.

    O, yesterday I was
    at a wedding,
    I have seen
    many handsome boys.
    O yes, many handsome boys,
    but no one like you,
    with your dark eyes
    and your black hair.

    Your figure, your manners,
    your noble bearing.
    In my heart a fire burns,
    you cannot see it.
    There is no one that can feel
    how it burns,
    life and death
    are in God's hand.

    O, my dear God,
    grant my desire.
    The rich people You give honour
    with good business,
    o, give me a small house,
    on the green grass,
    then I could live there
    with my darling.


  11. Az der rebe Elimelech

    Az der rebe Elimelech iz geworn
    zejer frejlech,
    hot er ojsgeton dem kitl
    oen hot ongeton dos hitl
    oen gesjikt noch di fidler di tswej.

    Oen az di fidldike fidler
    hobn fidldik gefidlt,
    hobn fidldik gefidlt,
    hobn zej.

    Oen az der rebe Elimelech
    iz geworn noch mer frejlech,
    hot er opgemacht hawdole
    mitn sjamesj reb Naftole
    oen gesjikt noch
    di tsimbler di tswej.

    Oen az di tsimbldike tsimbler
    hobn tsimbldik getsimblt,
    hobn tsimbldik getsimblt,
    hobn zej.

    Oen az der rebe Elimelech
    iz geworn gor sjtark frejlech
    hot er ojsgeton
    di tfiln
    oen hot ojsgewisjt di briln
    oen gesjikt noch
    di pajkler di tswej.

    Oen az
    di pajkldike pajkler
    hobn pajkldik gepajklt,
    hobn pajkldik gepajklt,
    hobn zej.

    Oen wen di fidldike fidler
    oen di tsimbldike tsimbler
    oen di pajkldike pajkler
    pajklen op,
    blajbt der rebe Elimelech nebech
    gornisjt azoj frejlech
    oen sjrajt ojs:
    "Oj majn kop, oj majn kop!"


    Toen rabbijn Elimelech

    Toen rabbijn Elimelech
    heel vrolijk werd,
    heeft hij zijn jas uitgedaan
    en heeft zijn hoed opgezet
    en twee violisten laten halen.

    En toen de violige violisten
    violig hebben gespeeld,
    hebben zij violig gespeeld,
    dat hebben zij.

    Toen rabbijn Elimelech
    nog vrolijker is geworden,
    heeft hij hawdole * gemaakt
    met de koster Naftole
    en twee cimbalisten
    laten halen.

    En toen de cimbalige cimbalisten
    cimbalig hebben gespeeld,
    hebben zij cimbalig gespeeld,
    dat hebben zij.

    En toen rabbijn Elimelech
    ontzettend vrolijk is geworden,
    heeft hij
    zijn gebedsriemen uitgedaan
    en zijn bril gepoetst
    en twee paukenisten
    laten halen.

    En toen
    de paukige paukenisten
    paukig hebben gespeeld,
    hebben zij paukig gespeeld,
    dat hebben zij.

    En als de violige violisten
    en de cimbalige cimbalisten
    en de paukige paukenisten
    paukten
    is die arme rabbijn Elimelech
    helemaal niet meer zo vrolijk
    en schreeuwt uit:
    "O mijn hoofd, o mijn hoofd!"

    * ritueel aan het einde van de sabbat


    When the rabbi Elimelech

    When rabbi Elimelech
    became very merry,
    he took off his coat
    and put on his hat
    and sent for two fiddlers.

    And when the fiddling fiddlers
    had fiddled fiddlingly,
    they fiddled fiddlingly,
    that they have.

    When rabbi Elimelech
    became even merrier,
    he made havdolah *
    with his verger Naftole
    and sent for
    two cymbal players.

    Then the cymballing cymbalists
    had cymballed cymballically,
    they cymballed cymballically,
    that they have.

    When rabbi Elimelech
    became extremely merry,
    he took off
    his praying straps
    and cleaned his glasses
    and sent for
    two drummers.

    And when
    the drumming drummers
    had drummed drummingly,
    they drummed drummingly,
    that they have.

    And as the fiddling fiddlers
    and the cymballing cymbalists
    and the drumming drummers
    drummed
    poor rabbi Elimelech is
    altogether no longer merry
    and cries out:
    "O my head, o my head!"

    * ceremony at the sabbath's end


  12. Sjabeslicht

    Sjabeslicht
    oen sjabeslompn,
    oj, wi zis iz ajer sjajn!
    Sjabes, oj sjabes,
    oj hejliker sjabes!
    Wifl brengt ir
    trejst dem jidn,
    in zajn elnt, in zajn pajn.
    Sjabes, oj sjabes,
    oj hejliker sjabes.

    Dajdidi daj daj ...

    Koemt tsoe oendz
    der sjabes-kojdesj,
    wi es wern
    licht gebentsjt.
    Sjabes, oj sjabes,
    oj hejliker sjabes!
    Bald antlojft di more-sjchojre,
    oen me wert a najer mentsj.
    Sjabes, oj sjabes,
    oj hejliker sjabes.

    Dajdidi daj daj ...


    Sabbatlicht

    Sabbatlicht
    en sabbatkandelaars,
    o, hoe mooi is jullie gloed!
    Sabbat, o sabbat,
    o heilige sabbat!
    Hoeveel troost
    breng je de joden,
    in hun ellende, in hun pijn.
    Sabbat, o sabbat,
    o heilige sabbat!

    Dajdidi daj daj ...

    Wanneer de heilige sabbat
    tot ons komt,
    en de lichten
    worden aangestoken.
    Sabbat, o sabbat,
    o heilige sabbat!
    Snel verdwijnt het verdriet
    en men wordt een nieuw mens.
    Sabbat, o sabbat,
    o heilige sabbat!

    Dajdidi daj daj ...


    Sabbath light

    Sabbath light
    and sabbath candles,
    o, how beautiful is your glow!
    Sabbath, o sabbath,
    o holy sabbath!
    How much comfort
    you bring the jews,
    in their sorrow, in their pain.
    Sabbath, o sabbath,
    o holy sabbath!

    Dajdidi daj daj ...

    When the holy sabbath
    comes to us,
    and the candles
    are lighted.
    Sabbath, o sabbath,
    o holy sabbath!
    Quickly vanishes the grief
    and one becomes a new person.
    Sabbath, o sabbath,
    o holy sabbath!

    Dajdidi daj daj ...


  13. Rivkele di sjabesdike

    Rivkele di sjabesdike
    arbet in fabrik,
    drejt a fodem tsoe a fodem,
    flecht tsoenojf a sjtrik.
    Oj, di geto fintstere
    dojert sjojn tsoe lang,
    oen dos harts azoj farklemt
    toet ir azoj bang.

    Ir getrajer Hersjele
    iz awek, nisjto,
    zint foen jenem sjabes on,
    zint foen jener sjo
    iz fartrojert Rivkele,
    jomert tog oen nacht,
    oen atsind bajn redele
    zitst zi oen zi tracht:

    Woe iz er, majn libinker,
    lebt er noch, chotsj woe?
    Tsi in kontsentratsie-lager
    arbet sjwer on roe?
    Oj, wi fintster iz im dort,
    biter iz mir do -
    zint foen jenem sjabes on,
    zint foen jener sjo.


    Rivkele, de sabbat-vrouw

    Rivkele, de sabbatvrouw *
    werkt in de fabriek.
    Draait een streng in een streng,
    maakt daarvan een touw.
    O, dat sombere getto
    duurt al veel te lang.
    En haar bedroefde hart
    doet haar zo veel pijn.

    Haar toegewijde Hersjele
    is weg, verdwenen.
    Sinds die ene sabbat,
    sinds dat moment,
    zit Rivkele te treuren,
    jammert dag en nacht,
    zit zij aan het wiel
    en denkt:

    Waar is hij, mijn liefste,
    leeft hij nog, waar dan?
    In een concentratiekamp
    hard werkend zonder rust?
    O, hoe zwaar valt het hem daar,
    bitter is het hier -
    sinds die ene sabbat,
    sinds dat moment.

    * betiteling van achtergebleven
    vrouwen na de razzia
    op sabbat 12 juli 1942
    in het getto van Bialystock

    Tekst: Pesach Kaplan (1870-1943)
    Muziek: Dora Rubin


    Rivkele, the sabbath one

    Rivkele, the sabbath one *
    toils in the factory.
    She twists a strand into a rope,
    makes from that a coil.
    O, the sombre ghetto,
    it already lasts too long.
    And her heart so grieved
    gives her so much pain.

    Her devoted Hershele
    is gone, vanished.
    Since that one sabbath,
    since that moment,
    Rivkele is grieving,
    laments day and night,
    sits by the wheel
    and thinks:

    Where is he, my love,
    is he alive, o where?
    In a concentration camp
    labouring without rest?
    O, how dark it must be for him
    hard here too -
    since that sabbath,
    since that moment.

    * term for the women
    left behind after the razzia
    on sabbath 12th July 1942
    in the ghetto of Bialystock


  14. Arbetlozer-marsj

    Ejns, tswej, draj, fir,
    arbetloze zenen mir,
    nisjt gehert
    chodosjim lang
    in fabrik den hamer-klang,
    s'lign kejlim kalt, fargesn,
    s'nemt der zjawer zej
    sjojn fresn.
    Gejen mir aroem in gas,
    wi di gwirim poest-oen pas.

    Ejns, tswej, draj, fir,
    arbetloze zenen mir,
    on a beged, on a hejm,
    oendzer bet iz erd oen lejm.
    Hot noch wer wos tsoe genisn,
    tejlt men zich mit jedn bisn.
    Waser, wi di gwirim wajn,
    gisn mir in zich arajn.

    Ejns, tswej, draj, fir,
    arbetloze zenen mir,
    jorn lang gearbet sjwer
    oen gesjaft alts mer oen mer
    hajzer, sjleser, sjtet oen lender
    far a hejfele farsjwender.
    Oendzer lojn derfar is wos?
    Hoenger, nojt
    oen arbetloz.

    Ejns, tswej, draj, fir,
    ot azoj marsjirn mir,
    arbetloze, trit noch trit.
    Oen mir zingen zich a lid
    foen a land, a welt a naje,
    woe es lebn mentsjn fraje,
    arbetloz iz kejn sjoem hant,
    in dem najem frajen land.


    Werklozenmars

    En, twee, drie, vier,
    wij zijn werklozen,
    hebben het hamergeklop
    in de fabriek al maanden
    niet gehoord.
    Het gereedschap ligt koud
    en vergeten,
    de roest begint het aan te vreten.
    We lopen maar rond in de straat,
    doelloos als rijkelui.

    En, twee, drie, vier,
    wij zijn werkloos,
    zonder kleren, zonder huis,
    ons bed is aarde en leem.
    Heeft er n nog wat te eten,
    deelt men elk klein stukje.
    Water drinken wij net zoveel
    als de rijken wijn.

    En, twee, drie, vier,
    wij zijn werkloos,
    jaren lang hard gewerkt,
    van alles meer en meer gemaakt,
    huizen, paleizen, steden, landen,
    voor een stel verkwisters.
    En wat is daarvoor ons loon?
    Honger, nood
    en werkloosheid.

    En, twee, drie, vier,
    zo marcheren wij, werklozen,
    stap voor stap.
    En we zingen een lied
    van een land, een nieuwe wereld,
    waar vrije mensen leven,
    niemand is werkloos
    in dit nieuwe, vrije land.

    Tekst en muziek:
    Mordechai Gebirtig (1877-1942)


    March of the unemployed

    One, two, three, four,
    we are unemployed,
    haven't heard the hammer
    beatings in the factory
    for months.
    The tools lie cold
    and forgotten, the rust
    begins to eat into them.
    We walk around in the street,
    aimless like the rich.

    One, two, three, four,
    we are unemployed,
    without clothes, without home,
    our bed is earth and mud.
    Has one still something to eat,
    we share every little piece.
    Water we drink as much
    as the rich drink wine.

    One, two, three, four,
    we are unemployed,
    for years we toiled, made
    more and more of everything,
    houses, palaces, cities, countries,
    for a bunch of squanderers.
    And what pay did we get?
    Hunger, need
    and unemployment.

    One, two, three, four,
    so we march unemployed,
    step by step.
    And we sing a song
    of a country, a new world,
    where free people live,
    nobody is unemployed
    in this new free land.


  15. Awreml der marwicher

    On a hejm bin ich joeng geblibn,
    s'hot di nojt mich arojsgetribn,
    wen ich hob noch kejn
    drajtsn jor gehat,
    in der fremd,
    wajt foen mames ojgn,
    hot in sjmoets
    mich di gas dertsojgn,
    geworn iz foen mir a wojler jat.

    Ich bin Awreml,
    der fejikster marwicher,
    a grojser kinstler,
    ch'arbet lajcht oen zicher,
    dos ersjte mol,
    ch'wil's gedenken bisn tojt,
    arajn in tfise far lakchenen
    a brojt, oj,oj,
    ch'for nisjt ojf markn,
    wi jene proste jatn,
    ch'tsoep nor baj karge,
    sjmoetsike magnatn,
    ch'bin zich mechaje,
    wen ch'tap azaj magnat,
    ich bin Awreml
    gor a wojler jat.

    In der fremd
    nisjt gehat tsoem lebn,
    gebetn brojt,
    an oremer flegt noch gebn,
    nor jene lajt,
    wos zenen tomid zat,
    flegn oft trajbn mich mit tsorn,
    s'wakst a ganew,
    s'iz mekoejim geworn -
    a ganew bin ich,
    nor a wojler jat.

    Ich bin Awreml,
    der fejikster marwicher,
    a grojser kinstler,
    ch'arbet lajcht oen zicher,
    a jat klejner
    arajn in koetsjement,
    arojs a mazik,
    al zeltener talent, oj, oj,
    ch'for nisjt ojf markn,
    wi jene proste jatn,
    ch'tsoep nor baj karge,
    sjmoetsike magnatn,
    ch'hob lib a mentsj,
    a mildn
    a nasj-brat,
    ich bin Awreml,
    gor a wojler jat.

    Sjojn nisjt lang,
    wet dos sjpil gedojern,
    krank foen klep,
    gift foen tfise-mojern,
    nor ejn bakosje,
    ch'wolt azoj gewolt -
    noch majn tojt,
    in a tog a tribn,
    zol ojf majn matsejwe
    sjtejn gesjribn
    mit ojsjes grojse oen foen gold:

    Do ligt Awreml,
    der fejikster marwicher,
    a mentsj a grojser gewen
    wolt foen im zicher,
    a mentsj a fajner,
    mit harts, mit a gefil,
    a mentsj, a rejner,
    wi Got alejn nor wil, oj, oj.
    Wen iber im wolt
    gewacht a mames ojgn,
    wen s'wolt di fintstere gas
    im nisjt dertsojgn,
    wen noch als kind
    er a tatn wolt gehat,
    do ligt Awreml,
    jener wojler jat.


    Bram de scharrelaar

    Al jong had ik geen thuis,
    de armoede stuurde mij weg,
    toen ik nog geen
    dertien jaar was geworden,
    ver van huis,
    van mijn moeders ogen,
    groeide ik op
    in het vuil van de goot,
    zo werd ik een goeie vent.

    Ik ben Bram,
    de handigste scharrelaar,
    een groot kunstenaar,
    ik werk snel en goed,
    de eerste keer,
    dat herinner ik me tot mijn dood,
    de gevangenis in voor het stelen
    van een brood, o, o.
    Ik ga niet naar markten,
    zoals de gewone lieden,
    ik jat alleen van gierige,
    smerige magnaten.
    Ik ben in mijn nopjes
    wanneer ik zo'n magnaat beroof,
    ik ben Bram,
    gewoon een goeie vent.

    Ver van huis
    had ik niets te eten,
    brood gebedeld,
    een arme geeft nog wat,
    maar de mensen
    die altijd een volle maag hebben
    sturen me vaak boos weg,
    zo word je een dief,
    zo gaat dat -
    een dief ben ik,
    maar toch een goeie vent.

    Ik ben Bram,
    de handigste scharrelaar,
    een groot kunstenaar,
    ik werk snel en goed,
    als een kleine jongen
    het cachot in,
    een duivel komt eruit,
    een zeldzaam talent, o, o.
    Ik ga niet naar markten,
    zoals de gewone lieden,
    ik jat alleen van gierige,
    smerige magnaten.
    Ik hou van goede mensen,
    met het hart
    op de juiste plaats,
    ik ben Bram,
    gewoon een goeie vent.

    Het spel zal
    niet lang meer duren,
    ziek van slaag en
    bedompte gevangenissen,
    nog slechts n wens
    heb ik -
    na mijn dood,
    op een droevige dag,
    moet op mijn grafsteen
    geschreven staan
    met grote gouden letters:

    Hier ligt Bram,
    de handigste scharrelaar,
    hij zou zeker
    een groot man zijn geworden,
    een goed mens,
    met een hart, met gevoel,
    een zuiver mens,
    zoals God het wil, o, o.
    Als de ogen van een moeder
    over hem hadden gewaakt,
    als de duistere straat
    hem niet had opgevoed,
    als hij als kind
    een vader zou hebben gehad,
    hier ligt Bram,
    die goeie vent.

    Tekst en muziek:
    Mordechai Gebirtig (1877-1942)


    Bram, the hustler

    When young I had no home,
    poverty sent me away,
    when I was not
    thirteen years of age,
    far from home,
    from my mothers eyes,
    I grew up
    in the dirt of the gutter,
    so I became a nice guy.

    I am Abram,
    the clever hustler,
    a great artist,
    I work fast and well,
    the first time,
    I will remember until I die,
    sent to jail for stealing
    a loaf of bread, o, o.
    I don't go to markets,
    like ordinary people,
    I nick only from close-fisted,
    dirty magnates.
    I'm in a good mood,
    when I rob such a magnate,
    I am Abram,
    just a nice guy.

    Far from home
    I had nothing to eat,
    begged bread,
    a poor person gives something,
    but the people
    who have a full belly
    often send me away angrily,
    so one becomes a thief,
    it has come true -
    a thief I am,
    but still a nice guy.

    I am Abram,
    the clever hustler,
    a great artist,
    I work fast and well,
    as a small boy
    into the clink,
    a devil comes out,
    a rare talent, o, o.
    I don't go to markets,
    like ordinary people,
    I pilfer only from greedy,
    dirty magnates.
    I love good people,
    with their hearts
    in the right place,
    I am Abram,
    just a nice guy.

    The game will
    not last much longer,
    ill from beatings
    and stuffy jails,
    still only one wish
    I have -
    after my death,
    on a sad day,
    has on my tombstone
    to be written
    with large golden letters:

    Here lies Abram,
    the clever hustler,
    he would surely
    have become a great man,
    a good man,
    with a heart, with feelings,
    a pure man,
    like God wants it, o, o.
    If the eyes of a mother
    had watched over him,
    if the dark street
    had not raised him,
    if he as a child
    would have had a father,
    here lies Abram,
    that nice guy.


  16. Koem Lejbke tantsn!

    Lejbke, majn liber,
    dos wet kejn goets nisjt gebn:
    doe brengst mit dajn aksjones
    mich foen gedoeld arojs.
    Doe moest zich lernen tantsn,
    ich sjwer baj oendzer lebn.
    Ele nisjt,
    iz hajnt noch mit oendz ojs.
    Megst zich zajn wos doe bist:
    a farbrenter tsienist,
    a boendovjets,
    wemen gejt dos on?
    Ale istn zajt a tsajt,
    oen ojch di agoede-lajt,
    tantsn tango
    oen tsjarleston.

    Koem Lejbke tantsn!
    Sjem zich nit.
    Ich wel dir firn
    sjrit baj sjrit.
    Sjtel zich, majn liber,
    akegniber
    oen hejb tsoezamen mit mir on.
    Nem fest aroem mich,
    Lejbke krojn,
    dos wejs ich zicher
    kenstoe sjojn,
    Itst lomir sjwebn,
    ach, s'ara lebn,
    wen s'tantst
    a porl tsjarleston.

    Lejbke, di mener,
    zej grintlech tsoe derkenen,
    majn bester termometer iz
    wen ich tants mit zej.
    Welche sjojn bawajbte
    oen welche fraj noch zenen,
    dos dergej ich sjojn
    bajm ersjtn drej:
    wer es iz a fajner man,
    wer a loemp,
    a sjarlatan,
    fil ich,
    wen der tants nor hejbt zich on.
    Oen derfar, Lejbke krojn,
    Wil ich dich, oen take sjojn,
    lernen tango oen tsjarleston.


    Kom dansen, Leo!

    Leo, schat van me,
    zo wordt het niks:
    met die koppigheid van jou
    maak je me razend.
    Je moet leren dansen,
    dat zweer ik bij ons leven.
    Anders is het
    vandaag nog uit tussen ons.
    Je mag zijn wat je wil:
    een bezeten zionist,
    een socialist,
    wie kan dat wat schelen?
    Al die lui,
    zelfs de vromen,
    dansen tegenwoordig
    de tango en de charleston.

    Kom dansen, Leo!
    Schaam je niet.
    Ik zal het je leren
    stap voor stap.
    Kom mijn lieverd,
    ga tegenover mij staan
    en begin gelijk met mij.
    Leo schat,
    hou mij stevig vast,
    ik weet zeker
    dat je dat kan.
    Nu gaan we zweven,
    ach, dat is pas leven,
    als een paar
    de charleston danst.

    Leo, de mannen,
    die leer ik goed kennen,
    ik voel ze aan
    door met ze te dansen.
    Wie er al getrouwd is
    en wie nog vrij,
    dat merk ik al
    bij de eerste stap:
    wie een aardige man is,
    wie een lomperik
    of een charlatan,
    ik voel het
    bij het begin van de dans.
    En daarom, Leo liefje,
    wil ik jou, nu meteen,
    de tango en de charleston leren.

    Tekst en muziek:
    Mordechai Gebirtig (1877-1942)


    Come dance, Leo!

    Leo, my darling,
    it won't work this way:
    your stubbornness
    makes me furious.
    You have to learn to dance,
    I swear it on our life.
    Otherwise
    it is over between us today.
    You may be whatever you want:
    an obsessed zionist,
    a socialist,
    who cares?
    All these people,
    and even the orthodox,
    nowadays dance
    the tango and charleston.

    Come dance, Leo!
    Don't be ashamed.
    I will teach you
    step by step.
    Come my darling,
    stand facing me
    and begin together with me.
    Leo darling,
    hold me tight,
    I know for sure
    you can do that.
    Now we will float,
    Ah, that is living,
    when a couple
    dances the charleston.

    Leo, the men
    I got to know them,
    I sense them
    by dancing with them.
    Who is already married
    and who is still single,
    that I will notice
    at the first move:
    who is a nice man,
    who is a boor,
    a charlatan,
    I feel it
    right at the start.
    And that is why, Leo darling,
    I want to teach you right away
    to tango and charleston.


  17. Dortn ojf dem bergele

    Dortn ojf dem bergele
    sjtejt noch a bejmele.
    Dos bejmele iz
    sjojn lang ajngebojgn.
    Dort sjtejt
    noch majn getrajer chosn
    mit zajne ojsgewejnte ojgn.

    Wejn nisjt, krojnesji,
    wejn nisjt, doesjenjoe.
    Ich wel noch tsoe dir
    tsoerik koemen.
    Zolst nisjt hern
    wos lajt redn,
    baj mir host doe chejn gefoenen.

    Majne eltern ton mich betn
    ich zol sjojn on dir fargesn.
    Nisjt ejn waserl
    wet farbajlojfn,
    oendzer libe
    wet kejner nisjt farlesjn.


    Daar op de heuvel

    Daar op de heuvel
    staat nog een boom.
    De boom is
    al lang gebogen.
    Daar staat
    nog mijn trouwe bruidegom
    met zijn roodbetraande ogen.

    Huil niet, mijn schat,
    huil niet, mijn liefste.
    Ik wil toch
    bij jou terugkomen.
    Let niet op
    wat de mensen zeggen,
    voor mij ben jij de ware.

    Mijn ouders vragen mij
    om jou te vergeten.
    Maar hoeveel water
    er ook stroomt,
    onze liefde
    is niet te blussen.


    There on the hill

    There on the hill
    still stands a tree.
    The tree has
    been bent for a long time.
    There he still stands
    my loyal groom
    with his tear-reddened eyes.

    Don't cry, my darling,
    don't cry, my love.
    Yet I will
    come back to you.
    Don't mind
    what people say,
    for me you are the one.

    My parents ask me
    to forget you.
    But however much water
    passes under the bridge
    our love
    will not be quenched.


  18. Iz gekoemen der feter Nosn

    Iz gekoemen der feter Nosn
    oen hot gebracht
    dem sjejnem chosn;
    sjejn, fajn,
    der feter Nosn
    hot gebracht dem sjejnem chosn.

    Iz gekoemen di bobe Krojne
    oen hot gebracht
    mechoetonim fajne;
    sjejn, fajn,
    di bobe Krojne
    hot gebracht mechoetonim fajne.

    Iz gekoemen di moeme Male
    oen hot gebracht
    di sjejne kale;
    sjejn, fajn, di moeme Male
    hot gebracht di sjejne kale.


    Oom Nathan is gekomen

    Oom Nathan is gekomen,
    hij bracht
    de knappe bruidegom;
    goed zo, fijn zo,
    ome Nathan
    bracht de knappe bruidegom mee.

    Oma Krone is gekomen,
    zij bracht
    aardige schoonouders mee;
    goed zo, fijn zo,
    oma Krone
    bracht aardige schoonouders mee.

    Tante Amalia is gekomen,
    zij bracht
    de mooie bruid;
    goed zo, fijn zo, tante Amalia
    bracht de mooie bruid mee.


    Uncle Nathan has come

    Uncle Nathan has come,
    he brought
    the handsome groom;
    very good, very fine,
    uncle Nathan
    brought the handsome groom.

    Grandma Krone has come,
    she brought
    the nice parents in law;
    very good, very fine,
    grandma Krone
    brought the nice parents in law.

    Aunt Amalia has come,
    she brought
    the beautiful bride;
    very good, very fine, aunt Amalia
    brought the beautiful bride.


  19. Der opsjit

    Zajt gezoent, majne libe eltern,
    ich for foen ajch awek,
    in a wajtn weg,
    woe kejn wint wejt nisjt
    oen woe kejn fojgl fligt nisjt
    oen woe kejn hon krejt nisjt.

    Zajt gezoent, majne libe eltern,
    ich for foen ajch awek,
    in a wajtn weg,
    Got zol ajch gebn
    gezoent oen lebn
    oen mir a gliklichn weg.


    Het afscheid

    Blijf gezond, mijn lieve ouders,
    ik ga bij jullie weg,
    op een verre reis,
    waar geen wind waait
    en waar geen vogel vliegt
    en waar geen haan kraait.

    Blijf gezond, mijn lieve ouders,
    ik ga bij jullie weg,
    op een verre reis,
    moge God jullie geven
    gezondheid en leven
    en mij een gelukkige reis.


    The farewell

    Stay healthy, my beloved parents,
    I go away from you,
    on a long journey,
    where no wind blows
    and where no bird flies
    and where no cock crows.

    Stay healthy, my beloved parents
    I go away from you,
    on a long journey,
    may God give you
    health and life
    and me a good journey.


  20. Mazl tow

    Mazl tow oen mazl tow.
    Oj, frejt ajch jidn, frejt!
    Gicher, oen gicher,
    di choepah z'ongegrejt!
    Der feter Jose
    oen di moeme Gitele
    weln gejn a chopke
    oen sjteln dos fisele, oj!

    Fregt nisjt kejn sjale,
    ot gejt di kale,
    frejt ajch jidn
    in a goeter sjo!


    Geluk gewenst

    Geluk gewenst, gefeliciteerd.
    Verheug je, joden, verheug je!
    Kom snel, het huwelijks-
    baldakijn staat klaar!
    Oom Josse
    en tante Gitele
    zullen een chopke dansen,
    voetjes van de vloer!

    Nu geen vragen,
    daar komt de bruid,
    joden verheug je
    in dit mooie uur!


    Congratulations

    Congratulations.
    Rejoice, jews, rejoice!
    Hurry, hurry,
    the marriage canopy is ready!
    Uncle Josse
    and aunt Gitele
    will dance a chopke,
    show us how!

    No more questions,
    there comes the bride,
    Jews rejoice
    in this good hour!


  21. Wiglid

    Sjtejt in feld a bejmele,
    hot es grine tswajgelech.
    Sjtejt derojf a fejgele,
    macht es tsoe di ejgelech.

    Ojf di grine tswajgelech
    wakst a goldn epele.
    Mach tsoe majn kind di ejgelech
    a broche ojf dajn kepele.

    Ojf di grine tswajgelech
    sjlofn zolt ir fejgelech,
    in waserl di fisjelech,
    ojf di grine grezelech
    halt dem otem ajn doe wind.
    Aj-ljoe-ljoe-ljoe sjlof majn kind.


    Wiegelied

    Er staat een boompje in het veld,
    het heeft groene twijgjes.
    Daarop zit een vogeltje,
    het doet zijn oogjes toe.

    Aan de groene twijgjes,
    groeit een gouden appeltje.
    Doe je ogen maar toe mijn kind,
    een zegen op je hoofdje.

    Op de groene twijgjes
    moeten de vogeltjes gaan slapen,
    in het water de visjes,
    boven de groene grassprietjes
    moet de wind zijn adem inhouden,
    Aj-ljoe-ljoe-ljoe slaap mijn kind.


    Lullaby

    There is a little tree in the field,
    it has small green twigs.
    On it sits a little bird,
    it closes its little eyes.

    On the small green twigs,
    grows a little golden apple.
    Close your eyes my child,
    a blessing on your head.

    On the small green twigs,
    the little birds have to sleep,
    in the water the fishes,
    above the green blades of grass
    the wind must hold its breath,
    Ay-liu-liu-liu sleep my child.


  22. Dona, dona

    Ojfn foerl ligt dos kelbl,
    ligt geboendn mit a sjtrik,
    hojch in himl
    flit dos sjwelbl,
    frejt zich,
    drejt zich hin oen krik.

    Lacht der wind in korn,
    lacht oen lacht oen lacht,
    lacht er op a tog a gantsn
    mit a halber nacht.

    Dona, dona, dona ...

    Sjrajt dos kelbl,
    zogt der pojer:
    "Wer zje hejst
    dich zajn a kalb?
    Wolst gekert tsoe zajn a fojgl,
    wolst gekert tsoe zajn a sjwalb.

    Bidne kelber toet men bindn
    oen men sjlept zej
    oen men sjecht,
    wer's hot fligl, flit arojftsoe,
    iz baj kejnem nisjt kejn knecht.

    Dona, dona, dona ...


    Dona, dona

    Op de wagen ligt het kalfje,
    ligt gebonden met een strik,
    hoog in de hemel
    vliegt de zwaluw,
    verheugt zich,
    draait links en rechts.

    De wind lacht in het koren,
    lacht en lacht en lacht,
    hij lacht een hele dag
    en een halve nacht.

    Dona, dona, dona ...

    Het kalfje schreeuwt,
    de boer zegt:
    "Wie heeft je dan opgedragen
    om een kalfje te zijn?
    Je had een vogel kunnen zijn,
    je had een zwaluw kunnen zijn.

    Arme kalfjes bindt men vast
    ze worden meegevoerd
    en geslacht,
    wie vleugels heeft, vliegt weg,
    is niemands knecht.

    Dona, dona, dona ...

    Tekst: Aaron Zeitlin (1889-1973)
    Muziek:
    Sholom Secunda (1894-1974)


    Dona, dona

    On the carriage lies the calf,
    tied with a cord,
    high in heaven
    flies the swallow,
    has fun,
    turns to and fro.

    The wind laughs in the grain,
    laughs and laughs and laughs,
    it laughs a whole day
    and half a night.

    Dona, dona, dona ...

    The calf cries,
    the farmer says:
    "Who told you then
    to be a calf?
    You could have been a bird,
    You could have been a swallow.

    Poor calfs people bind tight,
    they are carried away
    and slaughtered,
    who has wings, flies away,
    is no one's servant.

    Dona, dona, dona ...




Terug naar de home page van Lija Hirsch