Jiddisj
Bron: Wikipedia.
Het Jiddisj is een Germaanse taal, die door ongeveer vier miljoen joden over
de hele wereld gesproken wordt. Oorspronkelijk werd het gesproken door de
Oost-Europese joden. Het behoort tot de West-Germaanse talen. Er bestaan
verschillende dialecten van het Jiddisj.
Het Jiddisj is tussen de 9de en 12de eeuw ontstaan uit Duitse dialecten,
vermengd met veel Hebreeuwse woorden. Het moderne Jiddisj kent ook veel
woorden uit Slavische talen. Het wordt doorgaans geschreven met het
Hebreeuwse alfabet, maar is taalkundig niet aan het Hebreeuws verwant.
Omdat in het Hebreeuws geen klinkers geschreven worden, en het
Jiddisj als Germaanse taal daar eigenlijk niet goed zonder kan, is in het
Jiddisje alfabet een aantal letters toegevoegd waarmee het nogal verschilt van
het Hebreeuws alfabet.
Voor de Tweede Wereldoorlog waren er wereldwijd ongeveer 11 miljoen
mensen die Jiddisj als hun moedertaal hadden. In de Tweede Wereldoorlog
zijn er echter miljoenen Jiddisj-sprekers vermoord door de nazi's.
Na deze oorlog zijn de overlevenden vooral naar Israël en de Verenigde
Staten geëmigreerd waar ze bijna allemaal assimileerden in de maatschappij. Dit
kwam de Jiddisje taal niet ten goede.
Het Amsterdamse dialect kent veel Jiddisje leenwoorden, als mazzel,
mesjoche, nebbisch, aggenebbis en koosjer. Daarvan afgeleid zijn termen
terechtgekomen in het Bargoens: Koosjer was in oude Amsterdamse
penosekringen een term voor een plaats waar weinig politie in de buurt was en
men gemakkelijker z'n gang kon gaan.
goochemerd = slimmerik
mazzel = geluk
mesjoche = maf
ponem = gezicht
koosjer = in orde
bajes = gevangenis