De stilte


Als jong meisje ging ik met mijn ouders, grootouders en broers naar de kleine sjoel in Scheveningen. De gemeente werd voornamelijk gevormd door oude mensen, veelal Oost-Europese overlevenden van de Tweede Wereldoorlog. Hierover werd zelden gesproken, maar wij kinderen wisten het wel en hadden een onmetelijk ontzag voor het verdriet, dat deze mensen was aangedaan. Die toch zo hartelijk en lief voor ons, kinderen waren. Sommigen droegen een nummer op hun arm.

Ik hield van de gezangen, die vanachter het gordijn waar de mannen baden, opklonken. Oude stemmen, oude melodieen uit een oermenselijke wereld. Warm, met verdriet, vreugde en kracht.

De avond van de Grote Verzoendag was heel bijzonder. Iedereen was in zijn mooie kleren naar sjoel gekomen. Het was een plechtige avond, wij zouden allen de hele volgende dag niet eten of drinken en onze daden van het afgelopen jaar overdenken. Waren er dingen, die wij betreurden? Wij vroegen elkaar en G'd om vergeving voor onze fouten.

Toen werd het stil.
De voorzanger (1) stond in zijn witte gebedskleed gehuld in het midden van de gemeenschap. Hij was een overlevende van Auschwitz, een oude man. Vanuit de stilte klonk zijn stem zacht op en zong in het Hebreeuws de eeuwenoude woorden (2) die ik toen niet verstond:

De Eeuwige is mijn herder,
mij ontbreekt niets

zacht zong hij, maar onverzettelijk

Al ga ik door het dal van de schaduw des Doods
ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij

en hij wist het

mijn beker vloeit over

het onhoorbare werd hoorbaar

tegenover hen die mij benauwen

hij kende ze

zeker zullen goedheid en genade mij volgen
alle dagen van mijn leven

kol jemej chajaj

Zo werd het onstoffelijke stoffelijk, gehuld in het kleed van een oude, doorleefde stem en een oude, schitterende melodie.
En de boodschap was duidelijk: Verhef je. Verhef je uit je diepten, uit je diepe, donkere schaduwen en uit het diepst van je pijn. Daar in het donker kunnen wij mensen ons bevinden, maar blijf er niet. Wij kunnen steeds weer de sprong naar het licht wagen.

Hij zong het tot ons allen op die avond van de Grote Verzoendag, Jom Kipper, in ons kleine, wat onaanzienlijke sjoeltje , waar op een gewone sjabbes nauwelijks tien mannen bijeenkwamen. Het duurde veertig jaar, voor ik het zou verwoorden.
Vergeten deed ik het niet.

...

Sindsdien is dit, wat zingen voor mij betekent.
Mogen jullie het mij vergeven, waar het mij niet gelukt is, dat te laten horen.

Lija Hirsch, 2010.


1) De heer Krakauer z.l. uit Amsterdam was gastvoorzanger bij de Hoge feestdagen
2) de cursieve tekst bestaat uit fragmenten van psalm 23



Terug naar de home page van Lija Hirsch